De Hotelbel | Ada Ostyn
- 9 jul
- 10 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 3 dagen geleden
Het wemelt van de mensen op de dijk. Blankenberge telt als eindpunt van alle Belgische stranden. De terminus, waar wanhopige mensen zichzelf van het leven beroven. Ons land stopt daar met niets dan zee als alternatief. Zangers van eigen bodem krijgen er de kans om te schitteren. Toen ik enkele zomers geleden met mijn kleinkinderen ging luisteren – ze waren nog enthousiast over eender welk genre van muziek – wist ik eigenlijk al hoe laat het was.
Nog daarvoor gaf ik les in het college wanneer het niet zomerde. Beetje bij beetje gleed ik er verder weg. Een brugpensioen diende zich aan. We zijn nu bijna tien jaar later. Ik ben er nog. Ergens tussen het opeenstapelen van goede en mindere periodes bleef er een overschot van mezelf bestaan. Een kliekje dat ik grotendeels schonk aan mijn twee kleinkinderen. Maar ook zij zullen hun plan trekken.
Ik ben nogal hebberig van aard. Het liefst wilde ik de hele zeedijk eens voor mezelf hebben. Al was het slechts een keer. Zelfs de kleinkinderen moesten dan thuisblijven. Alleen Egmont, mijn sikkeneurige egel, mocht mee. Als hij braaf was geweest tijdens het schooljaar tenminste.
Ook nu nog deel ik het jaar op in lestijd en vakantie. Ik geef mezelf toestemming tijdens juli en augustus om elke dag een toetje te verorberen op voorwaarde dat ik me, zolang er les wordt gegeven, houd aan één keer per week. Van zodra de proclamaties achterwege zijn, verruil ik mijn dagelijkse douche voor een bad vol valeriaan. Een leerkracht is nooit op pensioen.
Zelfs Egmont is minder prikkelbaar gedurende de schoolvakanties. Misschien beeld ik het me in, maar zijn stekels voelen zachter aan en hij gromt een pak minder vaak. Ik liet hem deze keer thuis bij mijn dochter. Op sommige momenten zijn stekels niet aan de orde. En hij houdt niet van de drukte.
Met Katarina aan mijn zij durf ik me in de meute te begeven. Arm in arm lijken we op de beroemde tweeling Jeanne en Marcella. We delen dezelfde interesse in mode en maken er een punt van om ons wekelijks naar het winkelcentrum te begeven. Daar kopen we telkens iets gelijkaardigs dat toch apart is. Bijvoorbeeld allebei een paarse riem met een detail dat ons eigen item een surplus geeft. Dat maakt dat we dan toch niet de tandem zijn die de tweeling wel is. We zijn dan ook geen familie van elkaar. Hartsvriendinnen, dat wel.

Foto Goedele Miseur
Ik ontmoette haar op een bankje in het park. Zij schreef gedichten over haar eerste grote liefde en luchtkastelen. Ik wilde slechts het feeërieke brugje zien waarop mijn ouders hun trouwfoto lieten nemen en verloor daarbij de halsketting van mijn moeder zaliger in het water. De toen al schalkse Katarina vond me toen ik ontroostbaar in het water bleef waden.“Niets is voor altijd verloren,” fluisterde ze. Ze nam me mee naar de befaamde crèmerie van de stad, bestelde een banana split voor zichzelf en een coupe Jerome voor haar nieuwste aanwinst. Met haar zakgeld trakteerde ze me op ijs en vriendschap tot de dood ons scheiden zou.
Ze hield haar belofte. We zijn dames op leeftijd aan zee. Ik trakteer haar op Berlijnse bollen met zand. De sfeer van Tien Om Te Zien blijft rondwaren op de dijk. Men ontsnapt er ook overdag niet aan. Op elke hoek vinden we een slager. Katarina heeft een hartgrondige hekel aan schlagers. Aan de vleesverkopers, maar ook aan de muziek. Ze verzint zelf wel graag liedjes met een ironische ondertoon. “Ik ben een kermispaard dat verjaart.” Een ietwat speelse blik in mijn richting. Morgen word ik zeventig.
Van ons beiden is zij het die het meest inventief en vooral temperamentvol is. Ze gaf mijn eerste vriendje de dreun die hij nodig had. Niemand durfde het later nog aan om me te bedriegen met een ander. Gelukkig was mijn echtgenoot zaliger een even grote romanticus als ik. Katarina liet hem oogluikend toe.
Ze vermoedt al dat het onze laatste zomer samen zal zijn. Ze zag de brochure over het levenseinde naast een zelfgemaakt toetje op de keukentafel, maar zei er niets over. Ik voel dat ze ook deze verjaardag vol wilde plannen zit.
“Ik heb een idee, stekel. We vragen aan willekeurige mensen welk ludiek cadeau ze voor een 70-jarige dame zouden kopen.”
“Wie kiezen we?”
“Iedereen die er met zijn neus uitsteekt.”
De man van de velodroom met de bijzondere fietsen lijkt ons een uitstekende eerste kandidaat. Mijn kleinkinderen waren tijdens de weekjes aan zee wild van de attractie. Xavier, de uitbater, geldt intussen als figurant in de prent van ons leven. Met zijn purperen watergolfkapsel is hij het ideale uithangbord voor de zaak.
“Schatteke, ik geef u een waterfiets. Een tandem. Dan kunnen jullie samen naar de overkant fietsen. De wereld stopt niet in Blankenberge, wat de mensen ook mogen denken. En een Calippo met colasmaak. Zonder benzine kunt ge niet rijden.”
“Naar Engeland, zeg.”
Katarina kijkt in de verte. Ze ziet Engeland niet. Het bewijs dat de aarde rond is. Nonkel Nestor beweerde alleszins dat dit de stelling bewees. Hij beweerde veel. Misschien bedoelt Xavier iets anders met de overkant. Hij weet ook dat we niet het eeuwige leven hebben.
Op straat zijn er tal van verkopers en jengelende kinderen. Iedereen lijkt op de een of andere manier aandacht te willen. Meestal is die op zijn plaats. Hier en daar iemand die schreeuwt om meer poeder op een Berlijnse bol. Kinderen zijn nu eenmaal kinderen. Maar grote mensen overdrijven soms.
Aan de overkant van de paal met het huisje staat een opvallend kraam. Enkele jonge mensen bemannen het. Geen toeters of bellen. Wel een grote jonge man die poseert als Lady Liberty met een plantaardige kokosnoot en een tijdschrift. Ik trek Katarina zachtjes mee.
Een vrouw biedt ons een dik tijdschrift aan.
“Hallo, ik ben Anna, een sociale onderneemster en ik richtte samen met mijn halve trouwbroek Coconuts op. Dat is een redactie bestaande uit jonge mensen met of zonder psychosegevoeligheid. Samen maakten we dit jaar de tweede editie van ons artistiek tijdschrift.” Katarina bladert er eens door. “Dat ziet er echt wel professioneel uit.” Als voormalig psychiatrisch verpleegkundige is ze meteen gefascineerd door hun werk.“Nog een verjaardagscadeautje.” Ze wijst naar mij. “Maar ik wil het graag zelf eerst lezen. Trouwens, heeft u toevallig een buiten-de-lijntjesidee voor een verjaardagscadeau voor mijn compagnon?”
“Een graafspel dat leidt naar een cadeau onder of boven de grond. Of samen een boom planten en die met een naamplaatje vernoemen naar de jarige. Wie de bomen rooit…”
“Toppie!” Katarina heeft weer inspiratie opgedaan.
Niet veel later liggen we te zonnebaden op het strand. Dat ruikt naar Berlijnse bollen met zand. De kleur van de zee is emeraldgroen zoals het sieraad van mijn overleden moeder. Het voelde steeds koud in mijn handen. Wat een fel contrast met het bloedhete zand.
Kinderen die pootjebaden. Ze pogen te cheerleaden met het zeewier. Een meisje krijst om ter luidst wanneer ze aangevallen wordt door een plastieken krokodil. Nog een kleinkind, dat zou leuk zijn. Ik dagdroom over babynamen en bijhorende kleedjes in miniatuurvorm.
“Een kleinkind met mijn voornaam. Dat zie ik nog wel zitten.”
Katarina zet haar zonnebril af. “Wilma?”
“Klassieke namen zijn in trek. De jongste telg heet Hugo en de oudste Louis. En de meisjes zijn in de minderheid.”
“Tja, misschien dat je dochter nog eentje wil bestellen bij de ooievaar.”
“Laten we het hopen. Anders geef ik haar een bloemkool als extraatje bij het verjaardagscadeau. Ze is binnenkort ook jarig.”
Katarina bladert even in het tijdschrift. “Ik lees hier iets over een vrouw die gelooft dat we na onze dood blijven bestaan. Ze wilt terugkeren als een lapjeskat.”
“Groot gelijk.”
“Zou jij willen terugkeren? En hoe dan?”
Ik slik. “Dat duurt misschien niet zo lang meer.”
“Ik zag het. Daarom wil ik het graag weten. Om te weten wanneer je terug bij mij bent. Misschien herinner ik het me dan. Of voel ik het gewoon, met of zonder plan van jouw kant.”
De zee. Ze is te immens voor een mensenleven.
“Het liefste zou ik de maan zijn. Dan hoop ik mezelf te kunnen doorgronden. Ze is zo mysterieus.”
“Maar afijn, stekel, iets met een bewustzijn.”
“Ach, een huisspin dan. Ze zeggen dat je je angsten moet omarmen. Dan ga ik sowieso voor een huisspin in een hoekje achter de wc. Ik kom naar buiten wanneer je op de pot zit. Nog voor je een bezem hebt gegrepen, ben ik weer verdwenen in mijn schuilplaats. Er is geen ontkomen aan me.”
Katarina neemt mijn hand. “Weet je nog in de cinema? De film met die spinnen. Dat gigantische web waarvan we eerst dachten dat het mist was?”
“Ja, jij wilde daarna nog een suikerspin kopen op de kermis om de hoek.”
“Ach kom, het was eens iets anders dan eendjes vangen.”
“9 jaar, stiekem naar een film voor volwassenen. Dat ze ons niet betrapt hebben.”
“Het is wel mooi, zo’n spinnenweb. De zon die er doorheen schijnt. Een chaotisch kleurenpalet.” Ze zucht. “Alle kleuren zijn mooi.” Ze verruilt haar zonnebril voor een speelgoedsnorkel. “Kom, we gaan diepzeeduiken.”
De Blankenbergse zee schuimt als een taart die heen en weer deinst. Emeraldgroene taart. Een plastieken krokodil met het meisje van daarstraks erop keert terug met de vloed. Ze toont met enige trots een van haar zwembandjes.
“Toppie.” Katarina heeft zo haar favoriete vocabulaire. In de top tien prijken woorden zoals murmuratie en handenhunker. In de categorie scheldwoorden wonnen labbekak, mierenreetneuker en scharminkel het pleit. Nogal een geluk dat ze nooit Nederlands gedoceerd heeft. Ze zou snel genoeg van de school getrapt zijn.
“Wat zou jij als verjaardagscadeau geven aan mijn compagnon?”
Het meisje plukt aan haar vlecht.“Veel rollen wc-papier. Daar kan je leuk mee spelen. Mummy’s maken, het huis versieren, papierproppen naar iemands gezicht gooien…”
Ik herinner me het begin van de coronaperiode. Iedereen die zoveel mogelijk toiletrollen insloeg. “Ze zullen nu wel terug in voorraad zijn.”
Het meisje knikt. Ze omhelst de krokodil alsof hij haar beste vriend is. Misschien is hij dat geworden tijdens de lockdown. Ze rennen samen weg.
We zien de zon al een beetje wegzakken in de zee. Het wordt tijd dat we ons naar het hotel begeven voor een aperitief gevolgd door een steak met frieten in het restaurant De Valk. Voor ons beiden is dat een alcoholvrije cocktail. Ook aan het thuisfront bestellen ze onze drankjes bij de Alcoholvrije Slijterij.
Mijn moeder baatte namelijk een café vol dronkaards uit. Mijn eerste lief – de man die een scheve schaats reed – werkte bij Inbev. Katarina’s man werd overreden door een dronken bestuurder. Het kon gewoonweg geen toeval wezen. We besloten samen om geheelonthouder te worden.
We willen graag een wellnessmoment voor morgenvoormiddag boeken in het resort van het hotel. De onthaalmedewerker blijkt spoorloos te zijn. Katarina tokkelt een deuntje op de hotelbel. Daar begon het allemaal mee. Mijn moeder zaliger ging naar een beurs voor cafébazinnen. Ja, dat bestaat. Daar ontmoette ze mijn vader. Ze geloofde heilig in liefde op het eerste gezicht. Of dat ze haar grote liefde in een vorig leven al had gekend en dat ze meteen chemie zouden voelen. Dat was ook zo. Tegelijk was ze nog van de oude stempel. Toen hij een deuntje tokkelde op de hotelbel – daar komt de bruid, daar glijdt ze uit – voelde ze reeds de vlinders in haar buik. Het duurde echter nog een hele poos en een hotelbezoek later vooraleer ze een wezentje dat van vlinderslag hield in haar buik voelde. Mijn vader bleek na enkele ditjes en datjes fietsbellenverkoper van beroep te zijn. De beste van het hele land. Hij leverde aan de groten der aarde. Zelfs aan Eddy Merckx, de Tamburlaine van de pedalen.
Het geklik van de schoenen van de onthaalbediende haalt me uit mijn zoveelste dagdroom. Hij liet ons een volledig academisch kwartier wachten. Desalniettemin sloft hij naar ons toe.
“Dames, wat kan ik voor u doen?”
Katarina regelt eerst het wellnessmoment. “À propos, ik heb nog een serieuze vraag. Mijn vriendin is bijna jarig. Welk oerdegelijk alsook origineel cadeau zou u haar geven?”
Hij wijst naar het zilveren ding op de balie. “Mijn hotelbel. Dan heb ik per uitzondering een fatsoenlijke pauze.” Zijn gezicht slaat klokslag halfzes.
“Nou, wat aardig van u.” Katarina neemt het voorwerp gretig vast en stopt het in haar handtas.
Hij kijkt even vertwijfeld, boos, dan opnieuw vertwijfeld en gaat vervolgens toch enigszins enthousiast weg.
“Een fijne pauze gewenst!” Katarina haalt de schouders op. “Nou, die zien we een tijdje niet terug.”
Vanop het terras horen we de naweeën van Tien Om Te Zien. Een bisnummer van Stef Bos. Breek de stilte. De brochure en de bijbehorende papieren omtrent het levenseinde zitten vastgeklemd in een map ergens onderaan in mijn koffer. Niets zo stil als de zeelucht op het einde van een lied. Katarina’s haren wapperen nooit meer. Ze is van jongs af aan zo kwistig geweest met de flacon haarlak dat ze nu gewoon zonder kan.
“Heb je al iets besloten?” Zelfs in het donker zie ik de zee wegebben. Dat duurt gelukkig nooit lang. Als kind vreesde ik altijd even dat het water zou blijven wegtrekken tot er slechts zand overbleef en talrijke landen overspoeld zouden geraken. Er volgde geruststelling. En terug paniek. Dat stopte pas toen het weekend aan zee tot een einde kwam.
“Ja. Binnen enkele maanden. Ik wil nog een beetje tijd.”
Ze glimlacht. Typisch Katarina. Ze maakt zich geen zorgen. “Je zal wel weten wat je doet. Wil je er iets over zeggen?”
“Nee.”
“Typisch Wilma. Maar ik vertrouw je. Dan mis je wel dat potentiële kleinkind.”
“Dat mis ik sowieso. Of mijn dochter moest me plots verrassen.”
“Kom wel terug, hè lieverd, desnoods als dat kleinkind. Dan behoud je zelfs je naam. En al jouw stekeltjes behoud je hopelijk ook. Ik moet je tenslotte herkennen. In dit leven of een volgend.” We blijven urenlang kijken naar de zee. Ik voel geen angst.
Lang nadat ik moe ben geworden, neemt ze me naar binnen. De koffer naast haar bed is nog ongeopend. Ze sleurt hem op het bed, gooit haar toiletspullen en boeken eruit en legt vervolgens een klein doosje op mijn nachtkastje.
“Morgen pas openen, na het wellnessmoment.”
Katarina’s wil is wet.
De ochtendstond heeft goud in de mond. Mijn vader was niet slechts een fervent liefhebber van bellen en mijn moeder, maar ook van gezegdes en spreekwoorden. Voor elke situatie gaf hij me een zin die tot op heden in mijn geheugen gegrift staat. Hij liep telkens in de zee alsof hij opnieuw in de veilige schoot van zijn eigen moeder kroop, weg van de ratrace en zelfs van de fietswedstrijden. Als ik hem kon oproepen met eender welke bel, dan zou ik het wel weten. Denken dat ik kon toveren, eindigde helaas ergens tussen de brugklas en my sweet sixteen.
Na een haast magische massage krijg ik Katarina’s fiat voor het openen van mijn geschenk. Zoals gewoonlijk pakte ze het in zoals het moet, waardoor ik het ook een beetje jammer vind om het goudkleurige papier in stukken te scheuren. Een juwelendoosje verschijnt. Na een zachte klik krijg ik een krop in mijn keel. De emeraldgroene ketting rust in het doosje. Identiek. Katarina doet hem om mijn nek.
“Mag ik hem als aandenken houden als je er niet meer bent? Ik zal mijn best doen om hem niet te verliezen.”
Ik omhels haar zoals een eeneiige tweelingzus die liever niet wil opsplitsen in de moederschoot.
“Niets is voor altijd verloren.”
Ada Ostyn
Heb je een tekst die je graag wil delen?
Stuur een bericht via christine@fragmentenvanherstel.be.



Opmerkingen