Campbell's Snake Soup | Ada Ostyn
- 30 aug
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 4 dagen geleden
Het is alsof een woest beest een hap heeft genomen uit mijn leven.
Ik kan geen volwassen man zijn.
Het licht onder de deur schijnt net fel genoeg om het gerief op de wastafel te kunnen onderscheiden. Een speciale tandenborstel met een draad. Een toiletzak. Het goudkleurige kraantje zag ik nooit eerder. De beige vloertegels die aan mijn linkerwang kleven
zijn veel eleganter dan die van thuis.
Vake weet soms ook niet meer wie of waar hij is wanneer moeke hem kijvend door de gang sleept. Misschien ben ik ook dronken. Mijn handen voelen gerimpeld aan. Ik probeer recht te staan, maar mijn lichaam knispert. Het is te groot.

Foto Goedele Miseur
Wat herinner ik me nog? Ik liep naar moeke. Om Gust te verraden. Denk ik. Het ei in zijn twee
linkerhanden. Ik moest weten waar hij naartoe was. Redden wat er te redden viel.
Uit verveling tandenknars ik mijn favoriete deuntje: Wie heeft er suiker in de erwtensoep
gedaan? Wie heeft dat gedaan? Wie heeft dat gedaan? Op de een of andere manier ben ik mezelf gebleven.
Een karretje ratelt in de ruimte hiernaast. Ik wil schreeuwen, maar iets houdt me tegen.
Naar moeke gaan was een slecht idee. Dat weet ik gewoon. De blik in haar ogen sprak boekdelen. Gust zou er van langs krijgen. Ik ook. Als er een slang in het bos zit, dan vertel je dat meteen. Slangen zijn gevaarlijk.
Het karretje stopt vlakbij.
“Felix?”
Het licht vult de kamer.
“Ventje toch, hoe ben je daar beland?”
Ik maak een blobgeluid.
De jonge vrouw draagt een spierwit hemd en is zo tenger. Ik kan er niet bij dat ze me omgedraaid krijgt.
De verwarring moet op mijn gezicht gedrukt staan.
“Weet je waar je bent?”
Ik schud nee.
“In De Gouden Wandelstok. Je woont hier. Mira, een van jouw dochters, heeft je hier ondergebracht. Maar ze komen allemaal dikwijls langs, hoor. Het zijn goede meisjes.”
Mira, blonde krullen, danst pirouettes in de tuin met de kleinere zussen. Het zegt me iets. Drie goede meisjes.
“Kijk, jouw haarborstel. Daar word je altijd rustig van, he?”
Ik ben niet helemaal overtuigd. Maar het kammetje met de zachte haren stelt me enigszins gerust.
Ze rijdt me in een rolstoel naar de keuken, waar twee oudere dames zitten.
“Dit zijn Flavie en Gusta, twee vriendinnen. Je stelt het nogal goed met al die vrouwen.”
Flavie nipt aan haar groene thee en knipoogt. Gusta, zoals Gust. Het beeld van mijn vriend daagt
op. Het schelmenhoofd met een gebalde vuist ervoor. Dat ei is van mij.
Het ontbijt bestaat uit boterhammen met hespenworst. Ik laat het me welgevallen, al verbleekt het in het niets bij het spek met eieren van moeke. Volgens Elvire, de zorgkundige van daarnet, komt Mira straks langs met haar dochter Rosalie. In tussentijd speel ik even ganzenbord met Flavie.
Ik herken de verschijning meteen. De lichtgroene ogen zijn dezelfde als die van de danseres. Alleen heeft ze de tutu ingeruild voor een kokerrok en een blazer. Rosalie draagt een uilenbril en oorbellen tot haar schouders. Ze praten honderduit over verbouwingen en dan leest Rosalie voor uit de krant. Even voelt het vertrouwd aan. Misschien ben ik het toch.
“Vermist kind veilig en wel teruggevonden in bos van Rekem.”
Rosalie articuleert zoals het moet.
Maar ik houd me vast aan de stoel.
“Het. Is. Van. Mij.”
Gust achter een wilg. We zijn jongens met knieën vol pleisters. Met een eitje uit de slangenkuil in
het Zevenbergenbos.
Als ik niet beter wist, zou ik denken dat hij het meteen plat zou knijpen.
“We maken er een slangenomelet van.”
Hij is een durfal. Wie om het eerst met zijn handen in de slangenkuil een ei durfde stelen van moeke slang, won onze weddenschap. Gust vond er niet beter op het eerste exemplaar meteen te verorberen. Of het dan toch te proberen. Maar ik verzet me ertegen en bal mijn vuisten. Hij de zijne. Het ei belandt naast de wilg. We slaan erop los. Het is niet de eerste keer. Onze vriendschap is er een van pieken en dalen. Wanneer hij me bij de keel grijpt, gris ik naar een steen.
“Opa?”
Ze houdt zijn arm vast in een zachte grip.
“Wil je je cadeautje openen?”
“Waarom?”
“Je bent net jarig geweest.”
Ze toont me een doosje met een mintgroen lint. Ik trek als op commando aan het lint.
“Het is een Nokia. Om te telefoneren. Je wil zo graag alles en iedereen kunnen bereiken. Er staat ook een spelletje met een slang op.”
Ik glimlach kort en staar naar de grond. Mira danst met armen als slangen. Ze denkt dat ik er al niet meer ben.
Het bos heeft een donkere teint gekregen. De zwerm muggen die typerend is voor een bos in de
zomer kan ik enkel nog horen. Gust ligt onbeweeglijk op de grond. Bloed sijpelt over zijn gesloten ogen. Ik blijf even onbeweeglijk staan. Even treed ik uit mijn lichaam en word ik een mug die alles gadeslaat.
Tot er een onzichtbare motor in gang schiet. Ik ren de benen uit mijn lijf. We zijn vrij diep in het bos gegaan... Moeke is thuis, hoop ik. Onze dokter woont twee straten verder. Hij kan de ziekenwagen bellen.
Zij is in de tuin. Met haar haren los is ze net Medusa met een kruiswoordraadsel en een kleintje op
de schoot. Wanneer mijn broertje me ziet, toont hij me met enige trots een stukje peer. Ze heeft meteen door dat er iets mis is. Ze leest me als een boek. Ik voel tranen opkomen, maar verman me. Ze gebiedt me bij Rik te blijven en rent naar de dokter.
“Meneer, ik zal uw bloeddruk even meten.”
Een jonge knaap met een studentenbadge legt mijn arm voorzichtig op tafel. Naast hem zit dokter Brol. Zo noemen de dames hem. Ik verkies de term dokter Bol. Hij schrijft graag pillen voor. Zijn haar is millimetergewijs geschoren zoals bij de soldaten die patrouilleren in het dorp.
Moeke is terug. Ze heeft twee mannen bij zich, onder wie Stan, van wie iedereen weet dat hij bij het verzet zit. Daar moet je nog over zwijgen.
“Je moet hen wijzen waar Gust ligt, ze zullen hem dragen. De ziekenwagen is op komst.”
In het bos duurt het even voordat we de plek vinden. Hij is dood, dat voel ik gewoon. Ik zie zijn
ouders treuren op de begrafenis. Ik zal beschimmelen in de gevangenis. Mijn adem stokt helemaal als ik de overgebleven eieren zie en de leegte waar Gust met ons ei had moeten liggen… Stan grijpt mijn arm.
“Ben je zeker dat het hier was?”
Maar ook hij ziet de ongeschonden eieren die in de kuil lijken op te scheppen dat ze dan toch minder kwetsbaar zijn dan wij.
We schreeuwen een eind ver. Maar het levert niets op. Het wordt nog donkerder. Ik waag me aan
een stel tranen. Stan doet alsof hij het niet ziet.
Rosalie en Mira zijn verdwenen. Ik moet op zoek naar Gust. Doorheen de gangen van het gebouw
baan ik me een weg naar buiten. Bingo! Een openstaande deur aan het onthaal en nog beter: een bushalte.
Het is de langste dag ooit. Onze veldwachter heeft zijn Lierse collega’s opgetrommeld. Ik heb vijf keer hetzelfde verhaal opgedist. De agent met de snor tot aan de oren doet uit de doeken hoe ze het bos aan het uitkammen zijn.
“Er is geen rivier in de wijde omtrek. Als we hem niet vinden, is er iets anders aan de hand.
Misschien is hij gaan lopen. Uit angst. Hij moest sowieso maken dat hij weg was.”
“Hoezo?”
Agent Snor pulkt aan zijn snor.
“Zijn familie collaboreert al maanden met de Duitsers. Dat weet je. Vader Hoefkens is al weken
spoorloos. Zijn vrouw en de andere kinderen zogezegd naar een tante in Melle. Er is geen tante in Melle.”
Hij was dus achtergebleven. Het huis was inderdaad leeg geweest, op ettelijke lege conserven na.
Zouden ze hem echt moederziel achtergelaten hebben? Hij was een koekoeksjong, dat werd gezegd. Maar hij moest toch iets voor ze betekend hebben?
“Het was addergebroed. Niemand zal je erom haten. Misschien maken ze van jou nog een held.”
Hij geeuwt.
“De oorlog is zo goed als gedaan.”
De bus blijft weg. Aan de overkant staat een ziekenhuis. Ik rij er heen. De heliumballonnen lachen
me toe. Het is niet grappig. De verkoopster lijkt het met me eens te zijn. Haar mondhoeken zakken tot onder de evenaar als ze me ziet.
“Is het weer van dat, ja?!”
“De bus komt niet.”
“De bus komt nooit. Die halte staat er voor de sier. En Gust is hier niet. Ik bel het woonzorgcentrum.”
Even later vindt de student me tussen de pluchen beren en de fresia’s. Hij troont me geduldig naar mijn kamer. Ik vertel hem over het ei.
“Weet je niet meer hoe het eindigt?”
Hij vouwt mijn badhanddoek op.
“Je keerde terug naar de wilg en wat zag je daar? Een conservenblik met een kapot ei erbij. Zonder slang. Je hebt dat zo mooi geschilderd. Daar aan de muur in de badkamer.”
Hij troont me mee.
“Andy Warhol is er niets tegen.”
Hij neemt het kammetje met de zachte haren uit de schuif.
“Vooruit, ik zal je kapsel nog eens fatsoeneren.”
Ada Ostyn
Lied: Lou Bandy – Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?
Heb je een tekst die je graag wil delen?
Stuur een bericht via christine@fragmentenvanherstel.be.



Opmerkingen